Bij een groot ongeval met veel slachtoffers is er even geen tijd om iedereen volledig te onderzoeken. Je moet in seconden bepalen wie als eerste hulp nodig heeft en wie kan wachten. Dat heet triage. Dit artikel legt uit wat START-triage is, hoe de Nederlandse primaire triage op de vindplaats werkt en waar de twee van elkaar verschillen. Bedoeld als snel naslagwerk voor iedereen die op de vindplaats staat: ambulance, brandweer en first responders en zodat iedereen van elkaar weet wat er gebeurd.
Wat is triage in het kort
Triage is het snel indelen van slachtoffers op basis van urgentie, zodat de beschikbare mensen en middelen naar de slachtoffers gaan die er het meeste baat bij hebben. Je behandelt tijdens de primaire triage niet, op twee levensreddende handelingen na: een ademweg vrijmaken en een massale bloeding stoppen. Alles wat je verder ziet, laat je even voor wat het is. De hele beoordeling per slachtoffer duurt ongeveer dertig seconden.
Wat is START-triage
START staat voor Simple Triage And Rapid Treatment. Het is een Amerikaans systeem uit de jaren tachtig dat wereldwijd de basis werd voor snelle triage bij grootschalige incidenten. START werkt met vier controles, samengevat in het ezelsbruggetje RPM-30-2-Can Do.
- De R staat voor Respiration, de ademhaling.
- De P staat voor Perfusion, de doorbloeding.
- De M staat voor Mental status, het bewustzijn.
- De getallen en het zinnetje geven de grenswaarden:
- 30 (ademfrequentie)
- 2 (capillaire refill in seconden)
- Can Do (kan de persoon een simpele opdracht opvolgen).
START deelt slachtoffers in vier kleuren in.
- Groen betekent lichtgewond en zelfredzaam
- Geel betekent gewond maar stabiel en kan wachten
- Rood betekent direct levensbedreigend
- Zwart betekent overleden of niet meer te redden.
De volgorde van START is als volgt. Iedereen die op eigen kracht kan lopen, krijgt groen. Bij wie blijft liggen, kijk je naar de ademhaling. Ademt iemand niet, maak dan de ademweg vrij. Komt de ademhaling dan nog niet op gang, dan is de classificatie zwart. Komt de ademhaling wel op gang, of ademt iemand sneller dan 30 keer per minuut, dan is het rood.
Ademt iemand rustiger dan 30 keer per minuut, dan controleer je de doorbloeding. Een capillaire refill langer dan 2 seconden of een afwezige polsslag aan de pols betekent rood. Is de doorbloeding in orde, dan controleer je het bewustzijn. Kan de persoon een simpele opdracht niet opvolgen, dan is het rood. Kan dat wel, dan is het geel.
De Nederlandse primaire triage op de vindplaats
In Nederland gebruikt de ambulancezorg een eigen variant, vastgelegd door Ambulancezorg Nederland en gebruikt binnen de Leidraad Grootschalige Geneeskundige Bijstand en het LPA. Het idee is hetzelfde als START, maar de grenswaarden en de indeling wijken op punten af. Als aanvulling op de kleuren gebruikt Nederland de klassen T1, T2 en T3, plus overleden.
Het schema loopt via drie blokken: A voor ademweg, B voor ademhaling (breathing) en C voor circulatie. Je doorloopt ze in die volgorde en stopt zodra je een uitkomst hebt.
Gebruik van kleuren en slabwraps
In Nederland deelt de ambulance gekleurde slabwraps uit, iedereen krijgt een witte waarop o.a. gegevens staan van de ambulance die de triage uitvoert. Alle slachtoffers die een triage hebben ondergaan hebben dus een witte slabwrap mét een gekleurde tenzij een slachtoffer is overleden, dan wordt alleen een witte slagwrap toegepast.
- Groen = T3
- Geel = T2
- Rood = T1
- Alleen wit = Overleden
Stap voor stap
Begin met de vraag of het slachtoffer kan lopen. Loopt iemand, dan gaat die naar de verzorglocatie met classificatie T3. Deze mensen zijn zelfredzaam en kunnen het langst wachten.
Blijft iemand liggen, dan kom je bij A, de ademweg. Ademt het slachtoffer niet, maak dan de ademweg vrij. Ademt het daarna nog steeds niet, dan is de classificatie overleden. Komt de ademhaling na het vrijmaken wel op gang, dan is het T1 en gaat de persoon direct naar de gewondenverzamelplaats (indien mogelijk).
Ademt iemand vanaf het begin, dan ga je naar B, de ademfrequentie. Is de ademfrequentie lager dan 10 of hoger dan 30 per minuut, dan is het T1. Zit de ademfrequentie tussen de 10 en 29, dan ga je door naar C.
Bij C kijk je naar de circulatie via hartfrequentie en capillaire refill (CRT). Is de hartfrequentie 120 of hoger, of de CRT langer dan 2 seconden, dan is het T1. Is de hartfrequentie lager dan 120 en de CRT 2 seconden of korter, dan is het T2.
De triageklassen
Ter naslag de vier uitkomsten van het Nederlandse schema:
- T1: directe, levensreddende hulp nodig. Rood. Gaat als eerste naar de gewondenverzamelplaats.
- T2: gewond, maar stabiel genoeg om te wachten. Geel. Behandeling kan enkele uren wachten.
- T3: lichtgewond en zelfredzaam. Loopt zelf naar de verzorglocatie.
- Overleden: geen ademhaling na het vrijmaken van de ademweg.
Het belangrijkste verschil tussen START en de Nederlandse variant
De twee protocollen delen dezelfde logica: eerst lopen, dan ademhaling, dan circulatie. Op drie punten wijken ze af.
Bij de ademfrequentie kent START alleen een bovengrens: sneller dan 30 is rood. De Nederlandse variant kent ook een ondergrens: lager dan 10 of hoger dan 30 is T1. Iemand die heel traag ademt, valt in Nederland dus meteen in de hoogste urgentie.
Bij de circulatie kijkt START naar capillaire refill langer dan 2 seconden of een afwezige polsslag. De Nederlandse variant maakt dit concreter met een getal: hartfrequentie 120 of hoger, of CRT langer dan 2 seconden.
Bij het bewustzijn heeft START een vierde controle, het opvolgen van een opdracht. In het Nederlandse primaire schema op de vindplaats zit die bewustzijnscheck niet als losse stap; de nadruk ligt op A, B en C.
Speciale teams voor triage
In Nederland krijgt iedere ambulance een taak bij grootschalige incidenten, zo coördineert de TV Primaire Triage de de triage van slachtoffers en stuurt deze eventuele uitvoerende eenheden aan.

Waarom snelheid boven precisie gaat
Triage op de vindplaats is bewust grof. Je maakt geen diagnose, je maakt een keuze over volgorde. Een enkele misclassificatie is minder erg dan tijd verliezen door iedereen grondig te onderzoeken. Daarom telt de primaire triage maar een paar handelingen en duurt die per slachtoffer zo kort. De fijnere beoordeling volgt later, op de gewondenverzamelplaats.
Veelgestelde vragen
Waar staat START voor?
Voor Simple Triage And Rapid Treatment, een systeem voor snelle triage bij incidenten met veel slachtoffers.
Wat betekent RPM-30-2-Can Do?
Het ezelsbruggetje van START. R is ademhaling, P is doorbloeding, M is bewustzijn. 30 is de ademfrequentie-grens, 2 is de capillaire refill in seconden en Can Do is het opvolgen van een opdracht.
Wat is het verschil tussen START en de Nederlandse primaire triage?
De logica is gelijk, maar Nederland gebruikt de klassen T1, T2 en T3 naast de kleuren, kent bij de ademfrequentie ook een ondergrens (lager dan 10) en gebruikt een concrete hartfrequentiegrens van 120.
Welke twee handelingen mag je tijdens primaire triage wel doen?
Een ademweg vrijmaken en een massale bloeding stoppen.
Wie krijgt classificatie T3?
Iedereen die op eigen kracht kan lopen. Zij zijn zelfredzaam en kunnen het langst wachten.
Wanneer is iemand T1?
Als de ademhaling pas op gang komt na het vrijmaken van de ademweg, als de ademfrequentie lager is dan 10 of hoger dan 30, of als de hartfrequentie 120 of hoger is of de capillaire refill langer dan 2 seconden.
Bronnen
- Ambulancezorg Nederland, Primaire triage op de vindplaats, 2025.
- Leidraad Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB) 2.1, AZN, NRK, GGD GHOR Nederland, NIPV, LNAZ, 2023. Beschikbaar via nipv.nl.
- RPM-30-2-Can Do, START-triage, samenvatting via Wikipedia en CanadiEM.
Dit artikel is een naslagwerk en geen vervanging van je opleiding of het geldende protocol van je organisatie. Werk altijd volgens de meest actuele instructie van Ambulancezorg Nederland en je eigen dienst.

